​​​​​​​Les 24: 2de en 3de gebod van de H. Kerk

Derde Deel: De Geboden.

De Vijf Geboden van de Kerk.

Les 24: 2de en 3de gebod van de H. Kerk: Op boet- en vrijdag vlees ontberen. | Houd de Vasten ongeschonden.

310. Wat gebiedt het tweede gebod van de Heilige Kerk?

Het tweede gebod van de Heilige Kerk gebiedt zich te onthouden van vlees en vleesnat op Vrijdagen en op andere dagen die door de Heilige Kerk worden bepaald.

1° De wet van onthouding: die wet verbiedt het gebruik van vlees of vleesnat. Eieren, melkspijzen, toevoegsels zelfs met dierenvet waarmee de spijzen worden bereid zijn toegelaten.

2° Wat is vlees, wat is vis? Men kan soms twijfelen en dan schikt men zich naar de algemene opvatting der mensen van zijn streek.

a) Is vlees, dieren die op vaste grond leven en warmbloed hebben; bloed wordt ook aanzien als vlees, eveneens vleessoep, vleesextract, oxoblokjes.

b) Is vis: de gewone vissen: wat koudbloed heeft zoals kruipdieren en tweeslachtige dieren d.w.z. die in water en op vaste grond leven.

c) Is toevoegsel: al wat dient om de spijzen smakelijk te maken; doch in kleine hoeveelheid: b.v. enkele stukjes spek in de groenten of een ander spijs.

3° Het is een zware verplichting. Welke hoeveelheid wordt aanzien als een zware overtreding? Twee pond vlees, vier ponden vleesextract.

4° Men mag vlees en vis gebruiken in dezelfde maaltijd wanneer de onthoudingswet is opgeheven.

5° Zij die ontslagen zijn van de wet mogen ook meermaals vlees eten per dag.

311. Welke zijn, buiten de Vrijdagen, de onthoudingsdagen in ons land?

De onthoudingsdagen in ons land zijn buiten de vrijdagen:
ten 1ste, de Quatertemperdagen;
ten 2de, de Vigiliedagen van Kerstmis, Sinxen (Pinksteren), Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart en Allerheiligen;
ten 3de, de Woensdagen van de Vasten;
ten 4de, de Zaterdag voor Pasen.

In buitengewone omstandigheden, b.v. in oorlogstijd wordt de wet geheel of gedeeltelijk opgeheven. Men zie ieder jaar de Vastenbrief van de plaatselijke Bisschop.

312. Wie zijn door de onthoudingswet gebonden?

Zijn door de onthoudingswet gebonden, de gelovigen die ten volle zeven jaar zijn geworden, en niet door dispensatie of door een wettige reden zijn ontslagen.

1° De gedoopte vanaf hun volle zeven jaar; dus ook de ouderlingen zijn gehouden.

2° Wettige redenen die van de onthoudingswet ontslaan: enkele voorbeelden:

a) Zieken, bepaalde ziekelijke die vlees nodig hebben;

b) Zwangere vrouwen;

c) Moeders die na de bevalling hun kind zelf voeden;

d) Arme mensen die niets anders in huis hebben;

e) Werklieden die zwaar werk verrichten;

f) In België ontslaan de Bisschoppen ieder jaar ook de volgende personen: reizigers die in een hotel eten, werklieden die hun middageten moeten meedragen naar hun werk. Op Goede Vrijdag blijft de onthouding verplichtend.

Ieder jaar wordt ook aan de biechtvaders de macht verleend om te ontslaan (voor de Vasten en de onthouding) voor één jaar, doch enkel in de biecht.

313. Wat gebiedt het derde gebod van de H. Kerk?

Het derde gebod van de Heilige Kerk gebiedt te vasten op de dagen die door de Heilige Kerk worden bepaald.

De Vastenwet is dus een heel andere wet dan de onthoudingswet.

1° Er zijn dagen waarop enkel de onthouding is voorgeschreven.

2° Er zijn dagen waarop enkel de vasten is voorgeschreven.

3° Er zijn ook dagen waarop ze allebei zijn voorgeschreven.

314. Wat is vasten?

Vasten is maar eens per dag zijn volle maaltijd nemen: het is evenwel toegelaten 's morgens en 's avonds enig voedsel te gebruiken, volgens de goedgekeurde gewoonten in het land.

Het wezen van de Vasten bestaat hierin dat men eens daags een volle maaltijd neemt. Zodus men mag 's morgens en 's avonds ook enig voedsel gebruiken. In hoe grote hoeveelheid? Men mag er natuurlijk geen volledig ontbijt of avondmaal van maken. Het Interdiocesaan Concilie te Mechelen gaf volgende richtlijn: “Men houdt hierin rekening met het lichaamsgestel; de ouderdom, de werkzaamheden van de persoon en ook met de duur van de Vasten (één enkele dag of verschillende dagen na mekaar). Over het algemeen mag men zoveel nemen als men nodig acht om onpasselijkheid te vermijden, die het ons onmogelijk zou maken onze plichten van staat behoorlijk te vervullen”. (Acta Concilii Provincialis Mechliensis v. 1938 p. 48)

Zij die moeten vasten mogen op de dagen dat er geen onthouding is maar eenmaal daags vlees gebruiken namelijk in hun volle maaltijd.

315. Welke zijn de vasten dagen?

De vastendagen zijn:

1° Al de weekdagen van de vasten, d.w.z., van Aswoensdag tot de Zaterdag voor Pasen inbegrepen.

2° De Quatertemperdagen[1].

3° De Vigiliedagen[2] van Kerstmis, Sinksen (Pinksteren), Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart en Allerheiligen.

Men houden rekening met de vastenbrief die de Bisschoppen ieder jaar uitgeven en waarin meerdere dispensaties worden verleend (zie nr. 311, 312).

316. Wie moeten de vastenwet onderhouden?

Moeten de vastenwet onderhouden, de gelovigen die hun eenentwintigste jaar voleind hebben en hun zestigste nog niet zijn ingetreden tenminste als zij niet door dispensatie, of door ziekte, zwakheid, zware arbeid, of door een andere wettige reden zijn ontslagen.

1° Vanaf ten volle 21 j. tot ten volle 59 j.

2° Wettige redenen om van de vasten ontslagen te zijn: enkele voorbeelden:

a) Gezondheidsredenen: zieken, zwakken die pas aan de beterhand zijn; zij die in de voornaamste maaltijd niet voldoende kunnen nemen; zwangere vrouwen; moeders die na de bevalling zelf hun kind voeden.

b) Arme lieden die niet in staat zijn een genoegzame volle maaltijd gereed te maken.

c) Zware arbeid.

d) Die een noodzakelijke verre reis ondernemen.

e) Groter goed: die een liefdewerk verrichten dat moeilijk samengaat met vasten, b.v. prediken, lesgeven in de voormiddag en in de namiddag.

3° Zie verder de gewone dispensaties die de Bisschoppen ieder jaar in hun Vastenbrief verlenen (nr. 312).

 

[1] Quatertemper: eertijds (vasten- en) onthoudingsdag in ‘t begin van elk jaargetijde (t.w. op woensdag, vrijdag en zaterdag) na de derde zondag van de advent (winter), na de eerste zondag van de vasten (lente), na Pinksteren (zomer) en na het feest van de Kruisverheffing (herfst).

[2] Vigiliedagen: boete- en/of vastendag(en) voor een hoge r. k. feestdag.