Aartsbisschop Viganò aan pater Barthe

Juli 25, 2021
Bron: District des Benelux

Aartsbisschop Viganò aan pater Barthe: Ontsporing van Vaticanum II en vervaardiging van Nieuwe Mis zijn resultaat van “revolutionaire krachten die in de Kerk waren geïnfiltreerd”

Noot van de redactie: In een nieuw en uitgebreid vraaggesprek met pater Claude Barthe (eerst hier verschenen), auteur van La Messe de Vatican II (“De mis van Vaticanum II” – kijk hier voor een Engelstalige recensie), gaat aartsbisschop Carlo Maria Viganò dieper in op enkele vragen met betrekking tot het Tweede Vaticaanse Concilie en de vervaardiging van – wat hij noemt – “Montini’s Novus Ordo”, een verwijzing naar de nieuwe misritus die na het Concilie werd vervaardigd door het Consilium (liturgische commissie) onder leiding van – toen nog – pater Annibale Bugnini, en uitgevaardigd door paus Paulus VI (Giovanni Montini).

Zijne Excellentie herbevestigt een stelling die hij meermaals heeft benadrukt het afgelopen jaar, namelijk: “lang vóór Vaticanum II waren revolutionaire krachten in de Kerk geïnfiltreerd die bereid waren deze vernieuwingen, die ad experimentum werden ingevoerd […], definitief te maken” – vernieuwingen, zoals de verschillende overgangsmissalen die er waren tussen de Rubrieken van 1962 en de Editio typica van 1970, die laatste zijnde “Montini’s Novus Ordo”.

“Behalve de teksten en de ceremoniële rubrieken”, stelt hij vast, “is wat de hervormde ritus overduidelijk revolutionair maakt het feit dat hij maakbaar is geworden voor de celebrant en de gemeenschap, op grond van een aanpassingsvermogen dat de Romeinse liturgische mens [geest, NVDV] volstrekt onbekend is”. En verder: “De pauselijke ceremoniën waarin het Missale Romanum van Paulus VI werd gebruikt weken zelf af van de rubrieken, omdat lezingen in de volkstaal en onvoorziene ceremoniën werden ingelast, en voor geestelijken bestemde taken werden uitgevoerd door leken en zelfs vrouwen. Dat bevestigt in mijn ogen de revolutionaire ziel van het Concilie en de ritus die erdoor wordt geïnspireerd”.

Wanneer hem wordt gevraagd wat het meest fundamentele probleem met de Nieuwe Mis is, verwijst Zijne Excellentie naar het feit dat de vervaardigers ervan meer begaan zijn met “het streven naar oecumenische dialoog” dan wel met het behoud van “de tweeduizendjarige ritus die begon met de Apostelen, en zich harmonieus ontwikkelde doorheen de eeuwen”. Wat de inspanningen betreft om de Novus Ordo met meer eerbied te celebreren, merkt Zijne Excellentie op dat zulke inspanningen weliswaar “gemotiveerd lijken te zijn door vrome intenties”, maar dat achter die intenties niettemin “een feit schuilgaat dat geen enkele van deze prelaten”, die eerbied binnen de Novus Ordo aanmoedigen, “durft toe te geven: de mislukking van het Concilie en nog meer van de liturgie ervan”.

Pater Barthe vraagt Zijne Excellentie ook naar de Priesterbroederschap Sint-Pius X (FSSPX) en paus Franciscus’ ogenschijnlijke bekommernis erom alsook naar het lot van de “Ecclesia Dei-gemeenschappen”, in het licht van recent nieuws dat er een “op handen zijnde hervorming” van Benedictus XVI’s Summorum Pontificum aankomt – een thema dat vorige week door aartsbisschop Viganò werd aangekaart. Wat de FSSPX betreft, lijkt Zijne Excellentie de raad te geven om “canonieke regularisatie” niet te aanvaarden op dit ogenblik; hij stelt: “zodra een overeenkomst met de Heilige Stoel is gesloten, zou de Priesterbroederschap de onafhankelijkheid die ze krachtens haar niet volledig reguliere status geniet, verliezen – en daarmee ook haar economische onafhankelijkheid”.

***

Vraaggesprek met Mgr. Viganò over de liturgie van Vaticanum II

Mgr. Carlo Maria Viganò, die apostolisch nuntius in de Verenigde Staten is geweest, heeft zich laten kennen door zijn felle kritiek op het Bergogliaanse pontificaat, vervolgens door kritische bedenkingen over het Tweede Vaticaanse Concilie die niet minder streng zijn. Hij wou graag onze vragen over het thema van de nieuwe liturgie beantwoorden en deed dat op een nogal indrukwekkende manier (zelfs voor ons, aangezien hij hier een door ons verdedigd proces van “hervorming van de hervorming” bestrijdt). We zijn zeer blij dat we onze lezers deze bijdrage kunnen aanbieden om zo het debat en het denken te voeden.

E.H. Claude Barthe – Monseigneur, u hebt ooit gesproken over “revolutionaire krachten” wanneer het ging over de vervaardiging van de nieuwe liturgie na het Tweede Vaticaanse Concilie. Zou u uw gedachtegang kunnen verduidelijken?

Mgr. Carlo Maria Viganò – Laat eerst en vooral duidelijk zijn dat het Tweede Vaticaanse Concilie op zich al is opgevat als revolutionaire gebeurtenis. Ik denk dan uiteraard niet aan de goede bedoelingen van degenen die aan de uitwerking van de voorbereidende schema’s hebben deelgenomen, maar veeleer aan de vernieuwers die deze schema’s alsook de veroordeling van het communisme hebben verworpen, een veroordeling die – naar de wens van het grootste deel van het wereldepiscopaat – door het Concilie had moeten worden uitgesproken. Welnu, als Vaticanum II een revolutionaire daad is geweest, hetzij door de manier waarop het werd geleid, hetzij door de documenten die het heeft afgekondigd, dan is het logisch en geoorloofd om te denken dat ook zijn liturgie aan die ideologische benadering lijdt, vooral omdat men in het achterhoofd moet houden dat die het belangrijkste middel tot geloofsonderricht voor de leken en de geestelijken vormt. Het is niet toevallig dat Luther en de andere protestantse en anglicaanse ketters de liturgie als dé aangewezen manier zagen om hun dwalingen onder de gelovigen te verspreiden.

Dat gezegd zijnde, vinden wij eveneens de bevestiging van onze terechte bedenkingen als we de vervaardigers van die liturgie onder de loep nemen: prelaten die er dikwijls van werden verdacht tot de vrijmetselarij te behoren, notoire progressisten die met de Liturgische Beweging van de jaren ‘20 en ‘30 al waren begonnen meer dan betwistbare ideeën te insinueren en door archeologisme beïnvloede praktijken te verspreiden, archeologisme dat nadien door Pius XII in de encycliek Mediator Dei is veroordeeld. Het altaar versus populum [naar het volk gekeerd, NVDV] is geen uitvinding van Vaticanum II, maar van de liturgisten, die het op het Concilie nagenoeg verplicht hebben gemaakt, nadat ze het decennia eerder als afwijking hadden geïntroduceerd onder het voorwendsel van een “terugkeer naar de Oudheid”. Idem voor het zogenaamde “Gotische” kazuifel zoals daar vóór het Concilie vormen van bestonden, onder meer in Frankrijk, kazuifel dat het soort poncho is geworden waarvan ons na het Concilie is verteld dat het een herneming van het origineel was, wat een historische bovenop een liturgische vervalsing is. Met die voorbeelden wil ik tonen dat er lang voor Vaticanum II revolutionaire krachten in de Kerk waren geïnfiltreerd die bereid waren deze vernieuwingen, die ad experimentum werden ingevoerd en nu toch gebruikelijk zijn, definitief te maken, vooral in landen die historisch minder geneigd zijn om zich aan de romanitas aan te passen.

Na begrepen te hebben dat de liturgie uitdrukking is van een specifieke doctrinaire benadering (die eveneens ideologisch is geworden met de Novus Ordo), en de liturgisten die die benadering hebben bedacht ervan waren doordrongen, moeten we het corpus liturgicum van het Concilie ontleden om bevestiging te vinden voor het revolutionaire karakter ervan. Behalve de teksten en de ceremoniële rubrieken is wat de hervormde ritus overduidelijk revolutionair maakt het feit dat hij maakbaar is geworden voor de celebrant en de gemeenschap, op grond van een aanpassingsvermogen dat de Romeinse liturgische mens [geest, NVDV] volstrekt onbekend is. Het willekeurige karakter van de vernieuwingen maakt integraal deel uit van de hervormde liturgie, waarvan de boeken – te beginnen met het Missale Romanum van Paulus VI – zijn opgevat als een kladwerk, een canvas dat overgeleverd is aan de genade van meer of minder getalenteerde acteurs die naar de bijval van het publiek dingen. Het applaus van de gelovigen, ook al is het precies verkeerdelijk met de Novus Ordo ingevoerd, vormt de uitdrukking van een consensus, die een belangrijk onderdeel is van de tot spektakel geworden ritus. Overigens heeft het theater in antieke maatschappijen altijd een liturgische connotatie gehad en het is veelzeggend dat de conciliaire Kerk die heidense kijk heeft willen oprakelen, ook al keerde ze hem om, dat wil zeggen door een theatrale connotatie aan de liturgie toe te kennen.

Wie denkt dat de Editio typica in het Latijn overeenkomt met de ritus die zou moeten worden gecelebreerd na het Concilie zondigt zowel door argeloosheid als door onwetendheid. In dat liturgische boek is niets opgevat om werkelijk van nut te zijn voor het dagelijkse gebruik der priesters, te beginnen met de belabberde pagina-opmaak, die overduidelijk werd verwaarloosd precies in de veronderstelling dat praktisch niemand ooit de Novus Ordo in het Latijn zou celebreren. De pauselijke ceremoniën waarin het Missale Romanum van Paulus VI werd gebruikt weken zelf af van de rubrieken, omdat lezingen in de volkstaal en onvoorziene ceremoniën werden ingelast, en voor geestelijken bestemde taken werden uitgevoerd door leken en zelfs vrouwen. Dat bevestigt in mijn ogen de revolutionaire ziel van het Concilie en de ritus die erdoor wordt geïnspireerd.

De liturgische hervorming, die is begonnen in 1964 en een nieuw missaal heeft opgeleverd in 1969, kan radicaler lijken dan haar programma was, de constitutie Sacrosanctum Concilium. Denkt u dat het Consilium van Mgr. Bugnini Vaticanum II heeft verraden, zoals sommigen zeggen, of dat hij het verder heeft ontwikkeld, zoals anderen zeggen?

Mgr. Annibale Bugnini was een van de medewerkers die de Ordo Hebdomadae Sanctae instauratus [missaal voor de Goede Week, NVDV] uitwerkten, uitgevaardigd in de loop van Pius XII’s pontificaat. De ernstige vervormingen van het nieuwe missaal [dat van 1970, NVDV] blijken reeds in de kiem aanwezig te zijn in de ritus voor de Goede Week, wat bewijst dat het vernietigingsplan reeds was begonnen. Er is dus helemaal geen verraad aan het Concilie, want geen van de vervaardigers ervan heeft de liturgische hervorming ooit als in strijd met de mens [geest, NVDV] van Sacrosanctum Concilium beschouwd. Een aandachtige studie van de ontstaansgeschiedenis van de Ordo Hebdomadae Sanctae instauratus leert dat de verzoeken van de vernieuwers slechts gedeeltelijk werden ingewilligd, maar dat ze in Montini’s Novus Ordo opnieuw zijn voorgesteld.

Er moet echter nogmaals duidelijk worden gesteld dat, in tegenstelling tot alle oecumenische concilies, het gezag van dit concilie doelbewust is gebruikt om een vrijgeleide te geven aan een stelselmatig verraad van het geloof en de moraal, dat langs pastorale, disciplinaire en liturgische weg plaatsvindt. De overgangsmissalen tussen de rubrieken van 1962 en de Editio typica van 1970 en dat onmiddellijk daarna – de Editio typica altera van 1975 – tonen hoe men stap per stap te werk is gegaan, en wel door de clerus en de gelovigen te laten wennen aan het voorlopige karakter van de ritus, aan de voortdurende vernieuwing, aan de geleidelijke teloorgang van veel onderdelen waardoor de Novus Ordo aanvankelijk dichter bij het laatste Missale Romanum van Johannes XXIII stond. Ik denk bijvoorbeeld aan de Romeinse canon die submissa voce [met onderdrukte stem, NVDV] in het Latijn wordt gebeden, en waarvan de offerande haar offerkarakter en het Veni, Sanctificator behoudt, wat ondertussen zo is aangepast dat de canon luidop wordt gebeden, de offerande Talmoedisch is, en de aanroeping van de Heilige Geest geschrapt.

Degenen die de conciliedocumenten hebben voorbereid, welke door de concilievaders moesten worden goedgekeurd, hebben met dezelfde voorbedachtheid gehandeld als de auteurs van de liturgische hervorming. Zij wisten immers dat de vaders de dubbelzinnige teksten in katholieke zin zouden interpreteren, terwijl degenen die de documenten moesten verspreiden en gebruiken, ze zouden interpreteren in om het even welke zin behalve een katholieke.

In feite wordt dit bevestigd door de alledaagse praktijk. Hebt u al een priester gezien die de Novus Ordo volledig in het Latijn op een op het oosten gericht altaar celebreert, een Romeinse kazuifel draagt, en de communie bij de communiebank uitdeelt, zonder dat dat de woede van zijn ordinariaat en zijn confraters opwekt, zelfs als deze celebratiewijze eigenlijk volstrekt legitiem is? Degenen die het hebben geprobeerd – ongetwijfeld omdat ze te goeder trouw waren – zijn minder goed behandeld dan degenen die gewoonlijk de Tridentijnse mis opdragen. Dat bewijst dat de continuïteit die door de hermeneutiek van het concilie wordt verlangd niet bestaat, en de breuk met de Kerk van vóór het Concilie de norm is waaraan men zich moet conformeren, ook al zijn de conservatieven het daar niet mee eens.

Ik wil nog opmerken dat de doctrinaire onverenigbaarheid van de vroegere ritus met de ideologie van Vaticanum II wordt beseft en geclaimd door zogenaamde progressieve theologen en intellectuelen, volgens wie de buitengewone ritusvorm kan worden geduld op voorwaarde dat het theologische stelsel dat ermee wordt geïmpliceerd niét in zijn geheel wordt aangenomen. Dat is de reden waarom de liturgie van de Summorum Pontificum-gemeenschappen wordt geduld, zolang ze zich in de predicatie en de catechese er maar voor hoeden Vaticanum II of de nieuwe mis te kritiseren.

Welke van de veelgehoorde kritieken op de nieuwe Ordo Missae lijkt u de belangrijkste te zijn?

De fundamenteelste kritiek schuilt in het feit dat men een liturgie naar eigen goeddunken heeft willen uitvinden door het verlaten van de tweeduizendjarige ritus, die begon met de Apostelen, en zich harmonieus ontwikkelde doorheen de eeuwen. De hervormde liturgie is, zoals elke bekwame deskundige weet, de vrucht van een ideologisch compromis tussen de katholieke lex orandi en de ketterse eisen van protestanten en lutheranen. Aangezien het geloof wordt uitgedrukt in de openbare eredienst, moest ook de liturgie aan de nieuwe manier van geloven worden aangepast en zo werden “storend” geachte waarheden afgezwakt of ontkend ter wille van de oecumenische dialoog.

Een hervorming om eenvoudigweg bepaalde rituelen weg te werken, omdat ze voor de moderne gevoeligheid niet meer begrijpelijk waren, was perfect mogelijk geweest zonder slaafs te herhalen wat Luther tijdens de pseudo-Hervorming en Cranmer na het anglicaanse schisma hebben gedaan: alleen al het feit dat ze zich de vernieuwingen eigen maakten waardoor ketters bepaalde katholieke dogma’s verwierpen, toont op verpletterende wijze aan hoezeer de herders zich onderwierpen aan de consensus van hen die buiten de Kerk staan, ten nadele van de kudde die hun door de Heer is toevertrouwd. Stel u voor wat een van de martelaars van het calvinisme of de toorn van koning Jacobus zou hebben gedacht als hij pausen, kardinalen en bisschoppen een tafel zag gebruiken in plaats van het altaar dat hun het leven heeft gekost; en welk respect kan een ketter opbrengen tegenover het gehate Roomse Babylon, dat knullig probeert na te apen wat de hervormden vier eeuwen eerder hadden gedaan, wellicht op een fatsoenlijkere manier? Laten we niet vergeten dat de liturgische ketterijen van Luther werden verspreid door de koren van Bach, terwijl de celebraties van de conciliaire Kerk worden begeleid door composities van een ongehoorde lelijkheid. De ineenstorting van de liturgie heeft een doctrinaire ineenstorting aan het licht gebracht, waardoor de Heilige Kerk wordt vernederd enkel en alleen om de mentaliteit van de wereld te behagen.

Hoe verklaart u de mislukking van Benedictus XVI, kardinaal Sarah en andere verdedigers van een geleidelijke “liturgische terugkeer” – door de mis naar de Heer op te dragen, de offerandegebeden herin te voeren, de communie op de tong uit te delen?

Als een ambtenaar van het Vaticaan verordende dat de Nervi-zaal met pleisterwerk en fresco’s moest worden versierd om het vreselijke beeld van de Verrijzenis daar te vervangen door een barok uitzicht, zou hij voor een excentriekeling worden gehouden, met name wegens de nabijheid van de Sint-Pietersbasiliek. Naar mijn mening geldt hetzelfde voor de pogingen om de hervormde liturgie presentabel te maken met kosmetische operaties die in feite nutteloos zijn: wat voor zin heeft het de Novus Ordo naar het oosten op te dragen, de offerande te veranderen en de communie op de tong te geven, terwijl dat altijd al zo is geweest in de Tridentijnse mis?

Deze “liturgische terugkeer” berust op dezelfde verkeerde uitgangspunten als de hervorming van het Concilie: de liturgie wijzigen naar eigen inzicht, hetzij door de eerbiedwaardige oude ritus in moderne zin overhoop te halen, hetzij door de hervormde ritus op te smukken om hem te doen lijken wat hij niet is en niet wil zijn. In het eerste geval zouden we een koningin verplichten om klompen en vodden te dragen, in het tweede zouden we een boerin hebben die de koninklijke tiara boven haar ongekamde haren draagt, of die met een strohoed op haar troon zit.

Ik denk dat achter die pogingen, die gemotiveerd lijken te zijn door vrome intenties, een gegeven schuilgaat dat geen van die prelaten durft toe te geven: de mislukking van het Concilie en nog meer van de liturgie ervan. Terugkeren naar de vroegere ritus en de ellende van de Novus Ordo voorgoed opbergen zou een grote nederigheid vereisen, omdat wie hem vandaag zou willen redden gisteren nog een van de meest enthousiaste architecten van de liturgische hervorming en tegelijk van Vaticanum II was.

Ik vraag me dit af: als Paulus VI geen enkele moeite had om zonder schroom de Tridentijnse liturgie van de ene dag op de andere af te schaffen en door brokstukken van het Common Book of Prayer te vervangen, en hij deze nieuwe ritus tegen de bezwaren van clerici en leken in heeft opgelegd, waarom zouden wij vandaag dan méér consideratie moeten hebben als we de vroegere Romeinse ritus zijn ereplaats willen teruggeven, en de celebratie van de Novus Ordo verbieden? Waarom zo’n fijngevoeligheid van ziel vandaag en zo’n meedogenloze beeldenstorm gisteren? En waarom die esthetische chirurgie, tenzij dan om de eenheid van het laatste conciliaire vernis te bewaren door er het uitzicht aan te geven van iets waarvoor het niet bedoeld is.

De volgende paus zal alle liturgische boeken van vóór de conciliehervorming moeten herstellen en de onbetamelijke misparodie uit de katholieke kerken verbannen, een parodie die tot stand is gekomen onder medewerking van notoire en ketterse modernisten.

In een interview dat paus Franciscus in 2013 aan de jezuïetenmagazines gaf, noemde hij de liturgiehervorming een voorbeeldige vrucht van het Concilie (“Vaticanum II was een herlezing van het Evangelie in het licht van de eigentijdse cultuur”). En toch verleent hij gunsten aan de Broederschap Sint-Pius X. Interesseert het liturgievraagstuk hem?

Ik denk dat Bergoglio voor de liturgie in het algemeen geen interesse heeft, laat staan voor de Tridentijnse liturgie die hem vreemd is en waar hij afkerig van is, zoals hij dat is van alles wat maar enigszins katholiek is. Zijn aanpak is politiek: hij duldt de Ecclesia Dei-gemeenschappen, omdat ze de conservatieven ver van de parochies houden, en hij tegelijkertijd de controle over hen behoudt doordat dezen verplicht zijn hun onenigheid tot het strikt liturgische te beperken, terwijl hij zich wel van hun trouw aan de ideologie van het Concilie verzekert.

Tegenover de Sint-Pius-X-Broederschap hebben we te maken met een subtielere operatie: Bergoglio onderhoudt betrekkingen van “goed nabuurschap” ermee; en terwijl hij enerzijds de oversten ervan enkele prerogatieven toekent, wat bewijst dat hij hen als levende ledematen van de Kerk beschouwt, zou hij anderzijds hun volledige canonieke regularisatie misschien willen onderhandelen in ruil voor de aanvaarding van het conciliaire magisterium. Het spreekt voor zich dat het om een verraderlijke valstrik gaat: zodra een overeenkomst met de Heilige Stoel is gesloten, zou de Broederschap de onafhankelijkheid die ze krachtens haar niet volledig reguliere status geniet, verliezen – en daarmee ook haar economische onafhankelijkheid. Laten we niet vergeten dat de Broederschap beschikt over goederen en geldmiddelen die het voortbestaan en de financiering van de sociale noden van haar leden verzekeren: op een ogenblik dat het Vaticaan in financieel zwaar water verkeert, worden ongetwijfeld velen door die goederen aangetrokken, zoals we in andere gevallen hebben gezien, te beginnen met de Franciscanen van de Onbevlekte en de vervolging van pater Manelli.

Denkt u dat de beschermde status (bevoegdheid van de Congregatie voor de Geloofsleer en niet van de Congregatie voor de Religieuzen), een wens van Joseph Ratzinger vóór en na zijn toetreding tot het pausambt, voor de gemeenschappen van apostolisch leven die de traditionele mis opdragen in gevaar is vandaag?

De canonieke positie van de Ecclesia Dei-gemeenschappen is altijd in gevaar geweest: hun voortbestaan is verbonden aan hun – op zijn minst impliciete – aanvaarding van de conciliaire doctrine en de liturgische hervorming. Zij die zich er niet aan houden en Vaticanum II kritiseren of weigeren om de hervormde ritus op te dragen of bij te wonen lopen noodzakelijkerwijs het risico te worden geschorst. De oversten van die gemeenschappen van apostolisch leven worden uiteindelijk zelf bewaakt door hun geestelijken, aan wie stellig wordt aangeraden om zich van kritiek te onthouden en van tijd tot tijd concreet te tonen dat ze op één lijn zitten, bijvoorbeeld door deel te nemen aan diensten in de zogeheten “gewone vorm”. Paradoxaal genoeg geniet een priester van het bisdom op doctrinair vlak een grotere vrijheid dan een lid van die instituten.

Er moet worden gezegd dat zij die vandaag de macht in het Vaticaan hebben ervan overtuigd zijn dat de liturgische buitenissigheden van sommige gemeenschappen de herontdekking van de traditionele ritus niet aanmoedigen, maar juist een elitair imago geven en hem tot het “oude wereldje” beperken, waarnaar de architecten van Bergoglio’s Kerk hem maar al te graag verbannen zien. Als de celebratie van de katholieke mis werd genormaliseerd volgens de voorschriften van het motu proprio Summorum Pontificum (zonder dat ze wordt verbannen naar een liturgisch reservaat of beperkt tot specifieke ruimtes), dan zou de indruk worden gegeven dat elke gelovige de mis kan bijwonen zonder andere voorwaarde dan katholiek te zijn; omgekeerd, sluit dit bureaucratische Kafkaiaanse kasteel alle conservatieven op binnen een omheining en verplicht het hen de opsluitingsregels te volgen en niets méér te willen dan wat de soevereine genade hun heeft toegestaan, bijna altijd met nauwelijks verholen tegenstand van de diocesane bisschop.

Bergoglio’s werkwijze is voortaan klaar en duidelijk: de laatste encycliek theoretiseert heterodoxe doctrines en een schandalige onderwerping aan de heersende, hartsgrondig antikatholieke en antimenselijke ideologie. In die optiek lijken kwesties aangaande de liturgische gevoeligheid van deze of gene instelling me eerlijk gezegd bijkomstig: niet omdat de liturgie niet belangrijk is, maar omdat wie bereid is te zwijgen op doctrinair vlak ervoor zorgt dat de complexe ceremoniën van het Pontificale uiteindelijk worden herleid tot een uiting van estheticisme, dat geen enkel concrete gevaar vormt voor de magische kring van Santa Marta.

Het verbod op individuele missen in Sint-Pieters, Mgr. Managio’s drie dagen durende inspectie van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, het feit dat de constitutie over de curiehervorming, Prædicate Evangelium, de toezichthoudende bevoegdheden van de Goddelijke Eredienst zal versterken – doen zij voor een nieuwe opstoot van de hervorming vrezen?

Het verbod om privé-missen op te dragen in Sint-Pieters blijft, ondanks de eensgezinde bezwaren van vele gelovigen en enkele prelaten over een waar misbruik van het Staatssecretariaat, van kracht en is een ongehoord schandaal: het is een proefballonnetje om het terrein af te tasten en de reacties van prelaten, geestelijken en leken te analyseren, die vooralsnog alleen mondeling hun spijt hebben uitgedrukt, zeer kalm, soms zelfs beschaamd. Zoals ik reeds heb gezegd (hier), beschouw ik dat verbod als een nieuwe poging om een nu versterkte en alomtegenwoordige praktijk rechtmatig te doen lijken, een praktijk die zelfs de onderliggende doctrinaire dwaling komt te bevestigen: het primaat van de gemeenschapsdimensie in de “Eucharistie” – begrepen als een gezellig feestmaal, ten koste van het Heilige Misoffer dat privé wordt opgedragen. Welnu, dat brengt ons bij Vaticanum II, waarover geen enkele van de kardinalen die zich tegen het verbod op de missen in Sint-Pieters hebben uitgesproken de geringste twijfel durft te uiten, zelfs als het duidelijk ten grondslag ligt aan het verbod van het Staatssecretariaat.

Wat de toezichtsbevoegdheden van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst betreft, op zich kunnen zij als iets positiefs worden beschouwd, mits het liturgische gebied wezenlijk onder de Heilige Stoel valt; maar wij zondigen door argeloosheid en onvoorzichtigheid als we er geen rekening mee houden dat de vernieuwers elke afgekondigde norm zullen gebruiken om onuitgesproken doelen na te streven, doelen die dikwijls tegengesteld zijn aan die welke ze openlijk hebben verklaard.