De gendertheorieën en hun oorsprong

december 12, 2022
Bron: District des Benelux

Door E.H. Renaud de Sainte-Marie

E.H. Renaud de Sainte-Marie werd in Ecône in 2006 tot priester gewijd, en heeft een doctoraat in de filosofie. Hij heeft La sensibilité dans la vie morale (Clovis 2009) en Le désir du bien (Téqui 2021) geschreven. Zijn laatste boek, over gendertheorie, heet La supercherie du genre (Via Romana 2022).

Bron: Fideliter n° 266

Zou men zich honderd jaar geleden hebben voorgesteld dat het op een dag nuttig en zelfs nodig zou zijn om theorieën als die van het “gender” te weerleggen? Alleen de dwaasheid van de mens kan verklaren dat ze zijn ontstaan, en steeds meer voet aan de grond krijgen.

Wanneer er sprake is van een ingrijpende verandering in de geschiedenis, is het dikwijls gemakkelijk om een datum en een naam te vinden die de ommekeer symboliseren.

Bijvoorbeeld: het protestantisme begint wanneer Maarten Luther op 31 oktober 1517 zijn theologische stellingen aan de Allerheiligenkerk in Wittemberg nagelt.

Aan de gendertheorieën ligt géén symbolische gebeurtenis ten grondslag, hun intrede in het medialandschap is vrij recent, want ze dateert van een dikke tien jaar geleden. Die periode van mediabelangstelling werd gekenmerkt door een aanzienlijke en bliksemsnelle vooruitgang van de theorie, zozeer dat regeringsinstanties in heel wat westerse landen beschermende maatregelen hebben genomen tegen belediging en geweld op grond van genderdiscriminatie.

Het is een moeilijk te bevatten gegeven, want het aantal genderidentiteiten groeit exponentieel. Facebook telt er een vijftigtal, een internetsite meer dan zesduizend, met soms verrassende benamingen, zoals de xenogenders – mensen die zich met een “buitenaards” gender vereenzelvigen.

Men zou kunnen denken dat zoiets slechts de belanghebbenden aangaat, maar in de Angelsaksische wereld wordt nu al veelvuldig een voornaamwoord achteraan aan iemands genderidentiteit toegevoegd, om te ontkennen of te bevestigen dat de persoon wil worden aangeduid met een voornaamwoord dat bij diens biologische geslacht hoort. De Franse regering voert al propaganda in die zin, en weldra zal het wettelijk verplicht zijn iemand te benoemen met het voornaamwoord dat hij of zij zelf verkiest. Misschien zal men moeten miauwen om mensen aan te spreken die zich omschrijven als aliencatgender (het gender “buitenaardse kat”)?

Welnu, ook al lijkt het niet zo, toch is dit alles niet de wartaal van enkelingen die niet goed in hun vel zitten. Gendertheorieën zijn ontstaan aan westerse universiteiten (hoofdzakelijk Franse en Amerikaanse). Ze hebben een filosofische achtergrond die fundamenteel materialistisch is. De feministische stroming heeft die denkoefening discreet ondersteund om ermee voor de dag te komen.

DE ROL VAN HET INTELLECTUELE FEMINISME

Het is dit feminisme dat het gendervraagstuk heeft opgedrongen. De term feminisme valt samen met meerdere feministische “golven”, drie om precies te zijn. De eerste omvat de suffragettes die aan het begin van de 20ste eeuw voor vrouwenstemrecht opkwamen. De tweede is het strijdlustige feminisme van de jaren 1960 en 1970, dat eropuit was om een radicale gelijkheid tussen mannen en vrouwen te verkrijgen, vooral door verwerving van het recht op contraceptie en de depenalisering van abortus. Maar toen reeds werden de kiemen van het derde feminisme gelegd. Het boek De tweede sekse van Simone de Beauvoir markeert het begin van een denken dat vanaf de jaren 1960 zal worden uitgediept door feministen.

Simone de Beauvoir

Er zijn vandaag twee grote stromingen in het feminisme: de neomarxistische materialisten, zoals Christine Delphy, en de poststructuralistische feministen, tot wie de bekende Judith Butler zich rekent. Ze hebben tientallen jaren de degens met elkaar gekruist in academische debatten. Het materialistische feminisme heeft zijn eerste denkoefeningen op economische overwegingen gericht. De tweede school is er vanaf het midden van de jaren 1980 in geslaagd de genderthematiek op te dringen. Joan Scott, een Amerikaanse academica die lid was van het prestigieuze Institute for Advanced Studies, heeft als eerste de term gebruikt in de betekenis die we er nu aan geven.

Wat verstaat die denkstroming onder gender? Gender is volgens haar de geseksualiseerde voorstelling die door een maatschappij wordt gemaakt van de individuen waaruit ze is samengesteld, en van de rol die ze erin dienen te spelen. Joan Scott vat haar opvatting heel goed samen: ofwel bepaalt het geslachtsverschil het gender, in die zin dat de rol van de enen en de anderen door de natuur vooraf bepaald is (aangezien men als jongen of als meisje wordt geboren); ofwel bepaalt het gender het geslacht, in die zin dat de maatschappij vrij is om de rollen die aan geslachten worden toegekend zelf in te vullen en opnieuw in te vullen, onophoudelijk, omdat de natuur geen enkele betekenis geeft. Vanzelfsprekend sluit de stroming in kwestie zich bewust bij die tweede optie aan.

Er bestaat een logica in die opvatting en ze kan in enkele stelregels worden samengevat.

Eerste stelregel: er is geen natuurlijke orde. Spreken van natuurlijke orde houdt in dat de wereld een intrinsieke betekenis bezit. Wie instemt met die gedachte, onderschrijft de materialistische stelling dat alles uit materie voortkomt en tot materie terugkeert.

Tweede stelregel: natuurlijke dingen hebben geen betekenis. Als materialisten denken deze feministen dat alleen mensen door hun denken en hun wil zin geven aan de wereld.

Derde stelregel: de idee van een natuurlijke orde verhult een wil tot macht. De natuurlijke orde is een mythe waarmee in de loop der geschiedenis elke vorm van overheersing is gerechtvaardigd. Dat de vrouw wordt verondersteld van nature ondergeschikt te zijn aan de man laat mannen toe om de macht te behouden. Dat stelsel heeft een naam: het patriarchaat.

Vierde stelregel: men moet (eindelijk) de absolute gelijkheid tussen mannen en vrouwen waarmaken. En er zal geen ware vrijheid en gelijkheid zijn zonder de afschaffing van alle structuren die de overheersing van één groep door een andere in stand houden. Aangezien gender een sociale constructie is, is het noodzakelijk dat mensen ophouden het te verbinden met de geseksualiseerde kenmerken van het lichaam. Bijgevolg: dat een menselijk individu wordt geboren met mannelijke of vrouwelijke geslachtsorganen kan helemaal niet rechtvaardigen dat zijn gender met die natuurlijke eigenschappen wordt verbonden. De mens is derhalve vrij om zich te definiëren zoals hij wil, aangezien hij niet noodzakelijk man of vrouw is.

Achter die opvatting van het menselijke leven gaat een bijzondere politieke theorie schuil, die van het maatschappelijk verdrag (contractualisme). Volgens contractualistische theorieën heeft de mens de natuurtoestand verlaten: hij leeft voortaan in een maatschappij die hij heeft gesticht op grond van een Maatschappelijk Verdrag (Contract). Het is die, tot het uiterste doorgedachte theorie die ook het antinaturalisme van de radicale feministen verklaart.

DE HYPOTHESE VAN HET MAATSCHAPPELIJK VERDRAG

De theorieën van het Maatschappelijk Verdrag werden historisch verkondigd door de verdedigers van een nieuwe theorie van het natuurrecht, die met Grotius in de 17de eeuw is ontstaan. Natuurlijk hebben de grote namen van de politieke filosofie in de moderne tijd de weldaden en de doeleinden van dat verdrag op verschillende manieren verwoord. De verschillende auteurs ontwikkelen elk hun eigen opvatting. Laten we er een zeer beknopt overzicht van geven, in het besef dat een en ander misschien over het hoofd wordt gezien, om te begrijpen hoe daaruit een politieke theorie is ontstaan die de natuur afwijst.

Thomas Hobbes zal het Verdrag opvatten als een manier om aan het inherente geweld van de natuurtoestand te ontkomen, John Locke als een manier om de natuurlijke vrijheid te beschermen, Jean-Jacques Rousseau zal het Maatschappelijk Verdrag zo opvatten dat de politieke vrijheid die van het individu in de natuurtoestand nabootst, zonder ze terug te vinden. Voortaan gaan opvattingen van het Verdrag ervan uit dat we de natuurtoestand hebben verlaten, en wel op onomkeerbare wijze. Wat natuurlijk of biologisch is, is voortaan van geen tel meer in het leven van de mens, aangezien we de natuur hebben verlaten.

Thomas Hobbes

Als gevolg daarvan treft men bij die auteurs de grondgedachte aan dat betekenis afwezig is in natuurlijke dingen. Natuurlijke dingen hebben vanuit een dergelijk standpunt geen betekenis, omdat het menselijke leven hun er een geeft en voor de radicaalste aanhangers van dit contractualisme is menselijkheid iets wat slechts in maatschappijverband bestaat. Dus: de natuur in het algemeen, en de menselijke natuur in het bijzonder, zal slechts een betekenis hebben voor zover de menselijke samenleving haar er een heeft willen geven. Het is gemakkelijk vast te stellen dat de mens zich vandaag houdt voor de god van een wereld die wordt verondersteld er geen te hebben.

Men moet begrijpen dat zulke ideeën ook buiten de betrekkelijk kleine kring van academische feministen verbreid zijn. In 2015 schreef Yuval Noah Harari, een Israëlische historicus, Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst. In dat boek bevestigt hij de stelling ten voeten uit, want voor hem zijn religies slechts een schepping van de mensheid zoals alle bronnen van “zingeving”. Die hypothese is niet nieuw. Het is de eeuwige stelling van de materialisten. Uiteraard wekken zulke lieden de schijn van wetenschappelijke objectiviteit, terwijl hun standpunt eigenlijk een filosofisch a priori is.

Maar: er vloeit een praktische consequentie uit al die denkoefeningen voort. Voortaan wordt elke bevestiging van een goddelijke transcendentie, van een natuurlijke orde een bedreiging voor de democratische politieke orde. Het zal niet hoeven te verbazen dat men voor “fascist” wordt versleten als men de natuurwet en de Decaloog verdedigt, want voor de aanhangers van die wartaal houdt een dergelijke bewering in dat de waarden van de Franse Republiek in vraag worden gesteld.

Het is nochtans dat dat men dient te verdedigen: het bestaan van een natuurlijke orde die het menselijk handelen voorafgaat, een orde die de menselijke wil een ontastbare norm van goed en kwaad oplegt.

NATUURLIJKHEID VAN HET POLITIEKE LEVEN

De eerste waarheid die dient te worden verdedigd is het voortbestaan van het natuurlijke leven binnen het politieke leven. Het feit dat we in maatschappijverband leven schaft de basisnoden van ons dierlijke leven niet af. We moeten eten, drinken, slapen en ons kleden. Het zijn natuurlijke behoeften en toch staan ze in het middelpunt van de politieke debatten. Niemand denkt eraan de werkelijkheid ervan in vraag te stellen noch te ontkennen. Waarom zou men dan toelaten dat het onderscheid van de geslachten, en hun natuurlijke gerichtheid op de voortplanting, wordt ontkend en in vraag gesteld, onder het voorwendsel dat we de natuur hebben verlaten? De menselijke natuur leeft voort in het politieke leven.

Trouwens, is het wel zo zeker dat het politieke leven een anti-natuur of een uitweg uit de natuur is? De these van het Verdrag wordt als een vanzelfsprekendheid beschouwd, terwijl ze een werkhypothese is, zelfs een veronderstelling die nooit is bewezen. Waarom niet de Aristotelische these overwegen volgens welke het politieke leven een natuurlijke noodzaak voor de mens is? Er is geen enkele reden om die andere these van de politieke filosofie a priori (bij voorbaat) te veroordelen. We kunnen niet aanvaarden dat de these van Aristoteles, die ook die is van heel wat denkers van de filosofische en theologische traditie, als “reactionair” wordt bestempeld.

Die gekunstelde tegenstelling tussen natuurlijk en politiek leven ongedaan maken is tactisch gezien de eerste stap in de intellectuele strijd. De hele politieke argumentatie van de aanhangers van zulke theorieën berust namelijk op de nooit bewezen stelling dat de mens geen natuur heeft, en zijn politieke leven in ieder geval onbekend is met enige natuur, met enige orde die niet door mensen is gewild. Het is niet moeilijk in te zien dat een dergelijke mening uitmondt in de openlijke weerstand van een menselijke wil die zich verheft tegen de goddelijke wil.

De natuurlijke orde verdedigen betekent niet dat we de menselijke vrijheid in vraag stellen; we geven haar het normale kader waarin ze zich kan ontplooien. Natuurlijk kan het menselijke leven niet worden herleid tot het goede natuurlijke leven; de mens wordt vanzelfsprekend geroepen tot het bovennatuurlijke leven, door de genade van de Christus. Maar God is de auteur van zowel het natuurlijke leven als het genadeleven, en dat laatste kan niet bestaan zonder wortels in een deugdzaam natuurlijk leven.

In de huidige context is het moeilijk om die kwesties te bespreken zonder de banbliksems van de wettelijke censuur op te lopen, zozeer heeft de politieke macht de neiging om sommige affectieve geaardheden en zelfs gendertransities veilig te stellen. Maar het gaat om méér dan het beschermen van sommige individuen, of om het hun mogelijk te maken rustig op deze aarde te leven. De werkelijkheid is dat volgens de gendertheoretici dringend een maatschappij moet worden gevestigd die de stellige ontkenning van de menselijke natuur is, en zelfs een die een doorn in het oog van de Schepper wil zijn. Dat de aanhangers van die theorieën dat willen, is niet neutraal en kan ons niet onverschillig laten. Misschien denkt men ervoor behoed te blijven door zich afzijdig te proberen te houden. Maar morgen zal geen enkele school, misschien zelfs geen enkele familie wettelijk nog kunnen ontsnappen aan de verplichte onderrichting van doctrines die het meest met de door God geschapen natuur in strijd zijn. Men mag de grote assen van het denken dus niet miskennen, een denken dat steeds meer aan onze samenleving wordt opgelegd.