Geef niet toe aan deze wereld, maar breng alles samen in Christus

Maart 11, 2021
Bron: FSSPX Spirituality

Interview met de Algemeen Overste van de Priesterbroederschap Sint Pius X over het pontificaat van paus Franciscus.

DICI: Mijnheer de Algemeen Overste, het is acht jaar geleden dat paus Franciscus de troon van Sint-Petrus besteeg en ter gelegenheid van deze verjaardag bent u zo vriendelijk geweest ons dit interview te geven: wij danken u daarvoor.

Voor sommige waarnemers van het pontificaat van Franciscus, vooral voor zij die aan de Traditie gehecht zijn, lijkt het erop dat de ideeënstrijd nu voorbij is: volgens hen overheerst nu de praxis, dat wil zeggen het concrete handelen, geïnspireerd door een pragmatisme aangepast aan iedere situatie. Wat denkt u hiervan?

E.H. Pagliarani : Ik ben er niet zo zeker van dat wij acties en ideeën zo tegenover elkaar moeten stellen. Paus Franciscus is zeker zeer pragmatisch; maar omdat hij een leider is, weet hij heel goed waar hij naartoe wil. Een actie op grote schaal wordt altijd geïnspireerd door theoretische principes, door een reeks ideeën, vaak gestuurd door een centraal idee waaraan alle praxis kan en moet worden gerelateerd.

Wij moeten het toegeven: de pogingen om de principes van het pragmatisme van Franciscus te begrijpen zijn niet zonder vallen en opstaan verlopen. Zo meenden sommigen dat zijn handelingsprincipes terug te vinden waren in de teologia del pueblo, een veel gematigdere Argentijnse variant van de bevrijdingstheologie... In werkelijkheid, zo lijkt mij, staat Franciscus boven dat systeem, zelfs boven elk bekend systeem. Ik denk dat de gedachte die hem bezielt niet op voldoende wijze kan worden geanalyseerd en geïnterpreteerd als wij ons beperken tot de traditionele theologische criteria. Franciscus staat niet alleen boven elk bekend systeem: hij staat erboven.

Wat bedoelt u?

Bij Johannes Paulus II bijvoorbeeld bleven, ondanks alles wat wij kunnen betreuren, bepaalde punten van de katholieke leer onaantastbaar. Met Benedictus XVI hadden wij ook nog te maken met een geest die gehecht was aan de wortels van de Kerk. Ondanks zijn grote inspanning – die weliswaar tot mislukken gedoemd was – om de kwadratuur van de cirkel te herstellen door de Traditie met de conciliaire of post-conciliaire leer te verzoenen, gaf deze nochtans blijk van een streven naar trouw aan de Traditie. Met Franciscus bestaat die bezorgdheid niet meer. Het pontificaat dat wij meemaken is een historisch keerpunt voor de Kerk: bastions die nog overeind stonden, zijn – menselijkerwijs gesproken – voorgoed afgebroken; en tegelijkertijd heeft de Kerk haar zending met betrekking tot de zielen en de wereld geherdefinieerd, door deze radicaal te veranderen.

Het is nog te vroeg om de volle omvang van deze omwenteling in te schatten, maar wij kunnen nu al proberen om ze te analyseren.

Zonde en barmhartigheid

U zegt dat de overgebleven bastions zijn gesloopt. Over welke bastions gaat het?

Ik denk aan de laatste morele grondslagen waarop niet alleen de christelijke samenleving, maar elke natuurlijke samenleving is gegrondvest. Het moest vroeg of laat gebeuren, het was slechts een kwestie van tijd. Tot nu toe heeft de Kerk, ondanks sommige aanpassingen, haar morele eisen stevig gehandhaafd, bijvoorbeeld wat betreft het christelijk huwelijk, en ze veroordeelde nog steeds duidelijk alle seksuele perversies... Maar deze eisen waren helaas gebaseerd op een dogmatische theologie die van haar doel was afgewend, en daardoor instabiel was geworden: het was onvermijdelijk dat zij op een dag zouden wankelen. Men kan niet lang vasthouden aan vaste handelingsprincipes wanneer de opvatting die men over hun goddelijke auteur heeft, verzwakt of vervalst is. Deze morele principes konden een tijdje, enkele tientallen jaren, overleven, maar aangezien ze beroofd waren van hun ruggengraat waren ze gedoemd om op een dag "achterhaald" te zijn, ze worden bijna ontkend. Daarvan zijn wij getuige tijdens het pontificaat van Franciscus, vooral met de apostolische exhortatie Amoris lætitia (19 maart 2016). Deze tekst bevat niet alleen ernstige dwalingen, maar geeft ook blijk van een geheel nieuwe historistische benadering.

Over welke aanpak gaat het? Wat zou zijn keuze bepaald hebben?

Paus Franciscus heeft een zeer duidelijke algemene visie op de hedendaagse samenleving, op de Kerk van vandaag, en tenslotte op de hele geschiedenis. Hij lijkt mij beïnvloed door een soort hyperrealisme dat zogenaamd "pastoraal" is. Volgens hem moet de Kerk de feiten onder ogen zien: het is voor haar onmogelijk om de morele doctrine te blijven verkondigen zoals ze tot nu toe heeft gedaan. Ze beslist dus om toe te geven aan de eisen van de hedendaagse mens, en bijgevolg haar moederschap op een andere manier te beschouwen.

Natuurlijk moet de Kerk altijd een moeder zijn: maar in plaats van een moeder te zijn door haar leven door te geven en haar kinderen op te voeden, zal ze een moeder zijn in de mate waarin ze weet te luisteren, te begrijpen en te begeleiden... Deze bezorgdheden, die op zichzelf niet slecht zijn, moeten hier in een nieuwe en zeer bijzondere betekenis worden opgevat: de Kerk kan en mag zich bijgevolg niet langer opdringen. Ze is passief en past zich aan. Het is het kerkelijk leven, zoals het vandaag kan worden geleid, dat de eigenlijke zending van de Kerk, en zelfs haar bestaansreden bepaalt. Aangezien ze bijvoorbeeld niet meer dezelfde voorwaarden voor het naderen tot de Heilige Tafel kan eisen als vroeger, omdat de moderne mens dit als een ontoelaatbare onverdraagzaamheid beschouwt, ligt het voor de hand dat het enige realistische en echt christelijke antwoord erin bestaat zich aan deze situatie aan te passen en haar eisen opnieuw vast te leggen. Zo verandert de moraal door de kracht der dingen: de eeuwige wetten ondergaan een evolutie die noodzakelijk is geworden door de historische omstandigheden en de eisen van een valse en verkeerd begrepen naastenliefde.

Denkt u dat de Paus zich ongemakkelijk voelt bij deze evolutie? Voelt hij de behoefte om ze te rechtvaardigen?

Misschien was de Paus zich van meet af aan bewust van de reacties die een dergelijke ontwikkeling in de Kerk zou uitlokken. Waarschijnlijk is hij er zich ook van bewust dat hij deuren heeft geopend die tweeduizend jaar lang gesloten waren. Maar voor hem wegen historische eisen zwaarder door dan alle andere overwegingen.

In het licht hiervan krijgt het idee van "barmhartigheid", dat alomtegenwoordig is in zijn toespraken, haar volle waarde en betekenis: het is niet langer het antwoord van een God van liefde, die de berouwvolle zondaar met open armen ontvangt, om hem te veranderen en hem het genadeleven terug te geven; het is nu een rampzalige barmhartigheid, die noodzakelijk is geworden om bij hoogdringendheid te beantwoorden aan de behoeften van de mensheid. Aangezien de mensen nu niet meer in staat geacht worden om zelfs maar de natuurwet te eerbiedigen, is het hun goed recht om deze barmhartigheid te verkrijgen, die een soort neerbuigende amnestie van een God is, die zich ook aan de geschiedenis aanpast zonder haar nog langer te overheersen.

Zo wordt niet alleen afstand gedaan van het geloof en de bovennatuurlijke orde, maar ook van de morele principes die onontbeerlijk zijn voor een eerlijk en rechtvaardig leven. Dit is beangstigend, want het betekent het definitief opgeven van de kerstening van de zeden: de christenen nemen nu de zeden van de wereld over, of moeten minstens - geval per geval - de morele wet aanpassen aan de huidige zeden, uit de echt gescheiden mensen die “hertrouwen” of koppels van hetzelfde geslacht.

Deze barmhartigheid is dus een soort wondermiddel geworden, de grondslag van een nieuwe evangelisatie die aangeboden wordt aan een eeuw die niet meer bekeerd kan worden, en aan christenen aan wie het juk van alle geboden niet meer opgelegd kan worden. Zo worden zielen in gevaar, in plaats van aangemoedigd en gesterkt in hun geloof te worden, gerustgesteld en bevestigd in zondige toestand. Daarmee schaft de bewaarder van het geloof zelfs de natuurlijke orde af: er blijft niets meer over.

Wat aan deze dwaling ten grondslag ligt, is de totale afwezigheid van transcendentie, van verticaliteit. Er is geen verwijzing meer, zelfs niet impliciet, naar het bovennatuurlijke, naar het hiernamaals, naar de genade, en vooral naar de verlossing door Onze Heer, die alle mensen voorgoed heeft voorzien van de nodige middelen voor hun zaligheid. De eeuwige doeltreffendheid van deze middelen wordt niet meer gepredikt en is niet meer bekend. Men gelooft er niet meer in! Bijgevolg wordt alles teruggebracht tot een zuiver horizontale, historistische visie, waarin bijkomstigheden belangrijker zijn dan principes, en waar alleen het aardse welzijn telt.

Is dit keerpunt, waarover u sprak, nog in lijn met het Concilie, of behoort het reeds tot het Derde Vaticaans Concilie dat niet zou hebben plaatsgevonden?

Er is om een heel eenvoudige reden zowel een continuïteit als een afwijking van de stellingen die het Concilie aangenomen heeft. Met het Concilie wilde de Kerk zich aanpassen aan de wereld, “up-to-date brengen” dankzij het aggiornamento dat door Johannes XXIII en Paulus VI werd gepromoot. Paus Franciscus zet deze aanpassing aan de wereld voort, maar in een andere en extreme zin: nu past de Kerk zich aan de zonde van de wereld aan, althans wanneer deze zonde "politiek correct" is; ze wordt dan voorgesteld als een authentieke uitdrukking van liefde, die in alle vormen goedgekeurd wordt in de hedendaagse samenleving en die door een barmhartige God wordt toegestaan. Altijd geval per geval, maar deze uitzonderlijke gevallen worden de norm, zoals we het al in Duitsland zien.

Utopie van paus Franciscus

Stelt paus Franciscus, naast deze geleidelijke vernietiging van de traditionele moraal, waarden voor die wij kunnen cultiveren? Met andere woorden, op welk fundament wil hij volgens u bouwen?

Dit is een zeer pertinente vraag, waarop de paus zelf geantwoord heeft in zijn laatste encycliek Fratelli tutti (3 oktober 2020), waarin hij ons voorstelt "de uitdaging aan te gaan om te dromen over en te denken aan een andere mensheid. […]  Dit is de ware weg naar vrede1," schrijft hij. Dat noemt men een utopie, en dit is wat er gebeurt met allen die zich van hun wortels afsnijden: de paus, die breekt met de goddelijke Traditie, streeft naar een ideale en abstracte volmaaktheid, losgekoppeld van de werkelijkheid.

Hij ontkent dit uiteraard maar in eenzelfde passage waarin hij toegeeft dat "zijn woorden waanvoorstellingen lijken", licht hij het fundament toe waarop hij zich wil baseren: "het grote principe van de rechten die enkel en alleen voortvloeien uit het hebben van de menselijke natuur". Maar de Openbaring en de Traditie leren ons juist dat de menselijke natuur op zichzelf niet voldoende is. Zoals Chesterton het bevestigt: "Haal het bovennatuurlijke weg en alleen het onnatuurlijke blijft over.”2 Zonder God heeft de natuur alleen, in de praktijk, de neiging om "tegennatuurlijk" te worden; want door de mens op te roepen en te verheffen tot de bovennatuurlijke orde, heeft God de natuur aan de genade geordend, zodat de natuur de bovennatuurlijke orde niet kan verwijderen zonder een diepe wanorde in zichzelf binnen te brengen. Franciscus droom is heel naturalistisch.

Een ander teken van dit utopische karakter is dat zijn droom een universele teneur heeft: hij wordt op een autoritaire, absolute manier aan iedereen opgelegd. Aangezien dromen kunstmatig ontworpen zijn, kunnen ze alleen op een kunstmatige manier opgelegd worden...

Maar waaruit zou de utopie van paus Franciscus bestaan?

In perfecte osmose met de verlangens van de moderne mens, vol van zijn rechten die hij opeist en los van zijn wortels, kan ze worden samengevat in twee ideeën: die van de integrale ecologie en die van de universele broederlijkheid. Het is geen toeval dat de paus twee belangrijke encyclieken heeft gewijd aan deze onderwerpen, die naar eigen zeggen de twee belangrijkste delen van zijn pontificaat kenmerken.

De integrale ecologie van Laudato sì’ (24 mei 2015) is niets anders dan een nieuwe moraal die aan de hele mensheid wordt voorgesteld, waarbij de Openbaring en dus ook het Evangelie buiten beschouwing worden gelaten. De principes ervan zijn louter willekeurig en naturalistisch. Ze stroken zonder probleem met de atheïstische verlangens van een mensheid die gepassioneerd is door de wereld waarin ze leeft en die afgegleden is naar louter materiële bekommernissen.

En de universele broederlijkheid van Fratelli tutti, die de paus plechtig heeft uitgedragen tijdens de Verklaring van Abu Dhabi, die ook ondertekend is door de grote imam van Al-Azhar (4 februari 2019), is niets anders dan een naturalistische karikatuur van de broederlijkheid van het christendom, die gegrondvest is op het goddelijk vaderschap dat alle mensen gemeen hebben omdat ze door Christus verlost zijn. Deze broederlijkheid is feitelijk identiek aan die van de vrijmetselarij, die de laatste twee eeuwen niets anders heeft gedaan dan haat zaaien, vooral tegen de Kerk, in een vurig verlangen om zichzelf in de plaats te stellen van de enige werkelijk mogelijke broederlijkheid onder de mensen.

Het is niet alleen de ontkenning van de bovennatuurlijke orde, die de Kerk reduceert tot een menslievende NGO, maar het is ook de miskenning van de wonden van de erfzonde, en het vergeten van de noodzakelijkheid van de genade om de gevallen natuur te herstellen en de vrede onder de mensen te bevorderen.

Op welke manier zou men in deze context nog onderscheid kunnen maken tussen de rol van de Kerk en die van de burgermaatschappij?

Vandaag de dag biedt de katholieke Kerk het beeld van een priesterlijke macht ten dienste van de hedendaagse wereld en haar sociaal-politieke behoeften... Maar dit priesterschap heeft niet meer als doel om de instellingen te kerstenen noch om de zeden, die weer heidens zijn geworden, te hervormen; het is een tragisch menselijk priesterschap, zonder enige bovennatuurlijke dimensie. Paradoxaal genoeg zijn de burgermaatschappij en de Kerk, net als in de tijd van het Christendom, zo weer bondgenoten om zij aan zij te strijden voor gemeenschappelijke doelstellingen... maar deze keer is het een geseculariseerde maatschappij die haar eigen opvattingen en idealen aan de Kerk voorstelt en oplegt. Dit is beangstigend: seculiere menslievendheid is het licht van de Kerk geworden, het zout dat haar smaak geeft. De doctrinaire en morele verwarring van de laatste jaren geeft het minderwaardigheidscomplex dat de geestelijken ten opzichte van de moderne wereld hebben goed weer.

Nochtans – dat is het mysterie van het geloof en dat is onze hoop – is de Kerk heilig, goddelijk en eeuwig: ondanks de huidige droevigheid is haar innerlijk leven, die het meest verheven is, zeker van een schoonheid die God en de engelen behaagt. Vandaag beschikt de Kerk, zoals altijd, in overvloed over alle middelen die nodig zijn om te leiden en te heiligen!

Noodzaak van Christus Koning

Door welke middelen kan de Kerk zich volgens u van deze dwalingen ontdoen en zichzelf herstellen?

Allereerst is het noodzakelijk af te zien van utopieën en terug te keren tot de realiteit, tot de wortels van de Kerk. Wij zouden drie essentiële punten kunnen benoemen die de Kerk zich opnieuw moet toe-eigenen en die zij zonder toegevingen en zonder complexen opnieuw moet gaan prediken: het bestaan van de erfzonde en haar gevolgen (de drievoudige begeerlijkheid waarover de H. Johannes spreekt in zijn eerste Brief) - en dit tegen alle vormen van naturalistische naïviteit; de noodzaak van de genade, vrucht van de Verlossing, de enige remedie – maar wel een almachtige remedie – om deze verwoestende gevolgen te overwinnen; de transcendentie van een ultiem doel dat niet op deze aarde is, maar in de Hemel.

Dit in herinnering brengen zou betekenen dat men opnieuw moet beginnen met "de broeders te bevestigen"3. Het ware geloof zou weer gepredikt worden: het is de noodzakelijke voorwaarde voor elk bovennatuurlijk leven; ze is eveneens de onmisbare beschermster van de natuurwet, die ook goddelijk is in haar oorsprong, eeuwig en onveranderlijk, de noodzakelijke grondslag om de mens tot zijn volmaaktheid te brengen.

Deze drie concepten kunnen worden samengevat in één enkel ideaal: dat van Christus Koning. Hij is het voorwerp van ons geloof. Hij is de auteur van de genade. Hij is de auteur van deze natuurwet die hij in het hart van de mens heeft gegrift door hem te scheppen. De goddelijke Wetgever verandert niet. Hij doet geen afstand van zijn gezag. Zoals deze wet niet kan worden veranderd zonder het geloof zelf te veranderen, zo kan zij niet hersteld worden zonder de goddelijke Wetgever de eer te geven die hem toekomt.

Om duidelijk te zijn: niet toegeven aan deze wereld, maar "alles samenbrengen in Christus"4. In Christus Koning en door Christus Koning heeft de Kerk alle middelen om de wereld, waarvan de vorst de Vader van de leugen5 is, te overwinnen. Door het kruis heeft Hij dat al gedaan, voor eens en voor altijd: "Ik heb de wereld overwonnen.6"

Zal de Heilige Maagd een speciale rol spelen in deze overwinning?

Als deze overwinning die van Christus Koning is, dan zal zij noodzakelijkerwijs die van zijn Moeder zijn. De Heilige Maagd wordt systematisch in verband gebracht met alle gevechten en overwinningen van haar Zoon. Zij zal op zeer bijzondere wijze met deze overwinning worden geassocieerd: nooit is er zo’n verderfelijke en subtiele triomf van dwalingen geweest als vandaag, ze zijn oorzaak van uitgebreide en diepgaande verwoestingen in het leven van de christenen. Welnu, tot de mooiste titels die de Kerk aan Onze Lieve Vrouw toekent, behoren die van "Vernietigster van alle ketterijen" – zij verplettert het hoofd van degene die ze bedenkt – en die van "Hulp van de Christenen". Hoe definitiever de overwinning van de dwaling lijkt, des te glorieuzer zal de overwinning van de Heilige Maagd zijn.


Dit interview vond plaats in Menzingen, 12 maart 2021,
op het feest van Sint Gregorius de Grote, Paus

 

PDF :

  • 1. Nr 127
  • 2. Hérétiques
  • 3. Lc 22, 32
  • 4. Ef 1, 10
  • 5. Joh 14, 30 en Joh 8, 44
  • 6. Joh 16, 33