Kerstbrief

december 24, 2020
Bron: District des Benelux

Beste Vrienden en Weldoeners,

Met Kerstmis vieren we het grote mysterie van God die zichtbaar mens wordt. Voor velen is het een familiefeest, maar voor ons katholieken is het meer. Een Kind is ons gegeven, onze Verlosser is geboren en zo begint Jezus zijn levensloop in de armen van zijn Moeder, zoals Hij ook zijn leven op aarde zal eindigen. Maar dit laatste is voor later. Nu wil onze Moeder de H. Kerk dat wij ons verblijden met zijn Moeder, Sint-Jozef, de Engelen en de Herders over de kleine Emmanuel, God met ons. En het covid-gebeuren mag ons deze kerstvreugde niet verduisteren, de lofprijzing en glorie aan God gaat verder onafgezien wat er in de wereld ook gebeure!

Wij, uw priesters en de broeder, danken u voor uw hulp en financiële steun tijdens het afgelopen jaar, nodig voor ons apostolisch werk voor de glorie van God en te uwen dienste. Vooral uw aanmoediging toen we de Eredienst, de predicatie en andere zijn gaan streamen en zo onze dienstwerk tot bij u thuisbrachten via het internet.

Danken wij de Onbevlekte Ontvangenis dat de staat de lockdown een weinig verzacht heeft zodat de Katholieke Eredienst weer publiekelijk kan bijgewoond worden. Houden we onze gebeden en inspanningen vol! De strijd gaat voort en wij plaatsen ons aan de kant van de Overwinnaars, Jezus en Maria!

Persoonlijk wil ik ook u allen danken voor uw gebed en aanmoediging toen de hernia me in zijn greep hield. Ondertussen kan ik weer knielen en diep buigen, zodat ik het H. Misoffer correct of bijna correct kan opdragen.

Wij wensen u een Zalig Kerstmis en een Gelukkig Nieuwjaar.

Eerw. J. Verlinden, L. Bochkoltz en Broeder René Maria

Middernachtmis in 1794

Het verhaal van een Middernachtmis, dat we gaan vertellen, heeft zich afgespeeld in de vreselijkste periode van de Oorlog van de Vendée, terwijl men dacht dat het het einde van de wereld was.

In die verschrikkelijk slechte dagen werd de parochie Beaufou door brandstichting en moord verwoest. Ze werd door de slechte mensen gehaat omwille van haar trouw aan de godsdienst. Iedereen zonder uitzondering was er een goed christen; er was geen enkele vijand van de Goede God.

Eén van de duivelse bendes had net een eerste keer de kerk en het stadje in brand gestoken en ze begingen gruweldaden in verschillende dorpen. Mijnheer pastoor Jousbert werd vervolgd door spionnen van naburige dorpen die hem wilden betrappen in zijn schuilplaatsen en hem wilden verraden aan het Blauwe leger. Heel wat mensen waren droevig omdat ze de H. Mis niet konden bijwonen.

Toen het grote feest van Kerstmis naderde, kregen veel mensen schrik dat ze het niet zouden kunnen vieren en er werden ook traantjes gelaten. Helaas! Wat doen we hier dus op aarde? Niets meer, geen huizen meer, geen bezittingen meer, geen vreugde meer, geen rust meer, geen godsdienst meer, ze ontnemen ons de Goede God…  Toen namen ze hun rozenkrans in de hand, ze staken hem in de lucht en ze richtten hem naar de hemel: “Goede Heilige Maagd, kom ons te hulp…”

De goede Maagd Maria, die zo vurig aanroepen werd, moet zeker hun gebed gehoord hebben want een vrome gedachte daalde uit de hemel neer in het brein van de pastoor. “Ik wil een Middernachtmis aan mijn parochianen aanbieden, een plechtige Middernachtmis, een Middernachtmis zoals men er nog nooit één gezien heeft.” Het was de nacht van het feest van de Onbevlekte Ontvangenis van de heilige Maagd Maria. Hij sliep in een schuilplaats onder de grond, in een struik van het Grèvebos, dichtbij het dorp Canterie. Dat was toen zijn verblijf.

Toen hij wakker werd, herinnerde hij zich het idee en hij besliste om dat onmiddellijk uit te voeren. Gedurende twee weken bezocht hij alle huizen en hij vertrouwde hun in stilte zijn plan toe en iedereen die de leeftijd had om de heilige communie te ontvangen ging te biechten.

Hij hoefde niet te vragen of men wilde biechten, er waren ook niet veel woorden nodig om iedereen te overtuigen. Het tegenovergestelde zou verrassend zijn geweest. Het bezoek van mijnheer pastoor was nog nooit zo aangenaam geweest. De aankondiging van een Middernachtmis werd met grote dankbaarheid en vreugde onthaald. Iedereen bereidde er zich door gebed op voor, vooral door het vurig bidden van de rozenkrans. Mijnheer pastoor kondigde aan dat de nachtelijke ceremonie van het feest en die van overdag zouden plaatsvinden in het Rivierenbos, niet ver van het dorp Limonière. Het geheim van de Mis en de plaats ervan werd zo goed bewaard dat geen enkele van de spionnen, die de dorpen doorkruisten, er iets van wist voor het feest plaatsvond.

Veel jonge mensen uit de omgeving, die altijd bereid waren om iets goeds te doen, hadden snel in het midden van het Rivierenbos een kleine geïmproviseerde ‘kerk’ voor één dag gebouwd. Een geschikte plek werd vrijgemaakt. Men hing veel lange stokken, bedekt met brem en heide, van de ene boom naar de andere. Men verzamelde grote takken langs de zijkanten om de wind tegen te houden, een heel klein altaar werd opgesteld aan de rand, aan de kant van de opgaande zon. Een dag was voldoende om deze kleine tempel op te richten, waar het nog wel kon regenen en koud zijn, maar waar men vooral in alle rust kon bidden.

Het moeilijkste was om daar te geraken. Mijnheer pastoor had beslist dat twee derde van de volwassenen de Middernachtmis zouden bijwonen; de anderen, die de dorpen moesten bewaken, zouden naar de dagmis komen terwijl ze op hun beurt vervangen werden door een deel van de mensen die ’s nachts aanwezig waren geweest. Om alle argwaan te vermijden, moesten ze vermijden om in groep te stappen en om dezelfde wegen te nemen. Diegenen die het verst woonden, vertrokken de dag ervoor, ‘s morgens.

Mijnheer pastoor had uit voorzichtigheid een vijftiental mannen aangeduid die, op een zekere afstand rond het bos opgesteld waren om, in geval van gevaar, te verwittigen door geweerschoten te lossen.

Om tien uur was iedereen aangekomen en de kleine kerk was bomvol. Toch heerste er een grote stilte te midden van deze menigte en men vergat niet dat men op hetzelfde moment op het hoogtepunt was van de bloedige uitspattingen van de Revolutie.

Dit gezelschap zorgde voor een ontroerend schouwspel voor hemel en aarde! Men zegt dat de engelen uit het paradijs naar beneden kwamen om het te aanschouwen. Het was inderdaad de enigste plek in Frankrijk waar gedurende deze heilige nacht het hemelse offer van de Middernachtmis werd opgedragen; de enigste plek waar mensen samen God, de Verlosser van de wereld konden aanbidden.

De Heilige Maagd Maria en de Heilige Jozef die uit de wereld verjaagd worden, die door de mensen afgewezen worden, die verplicht waren om te vluchten en die van deur tot deur trokken, en die uiteindelijk een arm hok vonden waarin ze konden schuilen, een erbarmelijke stal die langs alle kanten open was. De Goede God liet dit toe. Jozef en Maria berustten hierin zonder te klagen. De hemel beloonde hen ervoor door hen het heilig Kindje Jezus te geven.

“U ook, mijn beste kinderen, roept mijnheer pastoor bevlogen uit, u wordt uit de wereld verdreven, de mensen verjagen u, vervolgen u. U zwerft in de bossen en de woestijnen. Deze nederige grot is uw schuilplaats, zoals Jozef en Maria, u hebt geen ander toevluchtsoord, de Goede God laat dit toe, zoals Jozef en Maria, aanvaard met liefde de heilige schikkingen van de Goddelijke Voorzienigheid en zoals hen zal u dezelfde beloning ontvangen: het heilig Kindje Jezus zal u gegeven worden in deze armzalige stal; u gaat uw God ontvangen.”

Deze preek, die zo passend was voor de omstandigheden, had indruk gemaakt op de mensen. “Ja, herhaalden en herhaalden al deze goede mensen, ondanks de wereld, ondanks de hel, leve God. We zullen ondanks alles christelijk zijn.

Mijnheer pastoor zong de Mis, maar met zachte stem.

Alle aanwezigen, behalve de kinderen naderden ter Heilige Tafel. Wie zou het gedurfd hebben om zich daar te bevinden zonder de Goede God te ontvangen? Ze was heilig die communie! Ze waren zuiver die harten van de mannen, van de vrouwen, van deze jeugd die was toegestroomd aan de voet van dit altaar. Ze hadden er zoveel offers voor overgehad.

Het was werkelijk de Katholieke Kerk van de eerste dagen, toen de Heilige Geest in vurige tongen neerdaalde in het hart van haar gelovigen. 

De wereld zag het niet, maar het hemelse hof aanschouwde het vanuit de hemel.

Je moest daar zijn, zei ons iemand die er was; we waren dolgelukkig. We vreesden niets meer, we hadden van niets schrik. Zelfs als het Blauwe leger gekomen zou zijn, zouden we toch zijn blijven zingen. We zongen allemaal zo luid mogelijk, de ouderen, de jongemannen, iedereen, de vrouwen en de kinderen. “Leve het heilig Kindje Jezus! … Leve het heilig Kindje Jezus! … Ze hoorden ons zeker heel ver.

De mannen die op wacht stonden, hadden eerst veel schrik omdat ze dachten dat het Blauwe leger ons gevonden had. Maar toen ze onze gezangen begrepen, deden ze zoals wij en ze begonnen ook te zingen. Oh! Het was al lang geleden dat men kerkliederen had horen zingen in de velden! We zongen tot ’s morgens vroeg.

Toen de zon opkwam, haar stralen parelden tussen de takken van de bomen, las mijnheer pastoor een tweede Mis, die de Mis van de herders genoemd wordt, voor de mannen die de wacht gehouden hadden tijdens de nacht en die vervangen waren door anderen, en ook voor enkele zieken die tot hun groot verdriet ’s nachts niet hadden kunnen komen. 

Om tien uur begon de Hoogmis die met luide stem gezongen werd. We hadden van niets meer schrik. De mensen zongen het Credo twee keer. Ze hielden eraan hun geloof in God te bevestigen en het luidop te zeggen. Ze wilden zelfs, als het mogelijk was geweest, dat het Blauwe leger en alle goddelozen van Frankrijk en de hele wereld het zouden horen. 

De wereld hoorde toen hun stemmen niet, maar de wereld kwam nadien wel te weten dat dit kleine volk goed was, het was inderdaad een christelijk volk, christelijk in woorden, christelijk in daden, ondanks alles christelijk, altijd christelijk.