Zalig ziek zijn - Meer normaal

Januari 09, 2021
Bron: District des Benelux

MEER NORMAAL

Ziekte is geen normale toestand, ook niet uit bovennatuurlijk oogpunt, - anders ware Christus niet normaal geweest.

Alhoewel sommige heiligen, zoals de H. Lidwina van Schiedam, die 38 jaar op een ziekbed lag, bijna uitsluitend door het lijden zich zelven en anderen geheiligd hebben, is het toch vanzelf sprekend dat niet iedereen daartoe geroepen is. - Wie zou de zieken nog oppassen ? - Die uitzonderingsgevallen zijn in Gods hand als het tegenwicht van het overdadig zwelgen in genot van de gulzige mensheid. Orde vraagt gelijkheid van gewicht. Gods orde moet ook in de onzichtbare wereld gehandhaafd worden. Het onweegbare wordt door God gewogen.

Maar daarom juist moet de ziekte, het lijden ons in ons leven niet verwonderen - ook in ons leven is er al licht onevenwichtigheid. God gebruikt de ziekte om het abnormale normaal te maken.

Hoeveel mensen zijn er geheel normaal ? natuurlijk en bovennatuurlijk ? Zeer weinigen. Het weldadig gevoede lichaam, in al zijn lusten voldaan, maakt de ziel zwak; en zij die atletisch zelfbewust, met glimmende huid, met forse stap over straat marcheren, lopen dikwijls met een leeg hoofd en een nog leeger hart.

Op het ziekbed leren we de waarde van het leven, en de hiërarchie van de levenswaarden. Daar wordt alles tot de juiste verhouding teruggebracht. Wat groot schijnt in 't lokkende leven, wordt klein in 't aanschijn van de dood.

Toen Ignatius van Loyola, in de kamp vóór Pamplona, aan de dood was ontsnapt en met gebroken been in 't ouderlijk kasteel lag te dromen en na te denken, heeft ook hij dat ingezien. Hij overschouwde zijn leven en zijn werk, en besloot nu niet meer voor een aardse koning te gaan strijden, maar veeleer voor den Koning der koningen, voor God zelf. Zijn leven werd meer normaal omdat hij er meer lief de in bracht, en hogere liefde. Zijn leven werd een leven “tot meerdere glorie Gods”. Alleen een grote liefde maakt groot. Zovelen zijn er die zouden moeten orde brengen in hun leven ! Ieder offert al licht te veel aan zijn liefhehherijtje; ieder brandt al licht wierook voor een afgodje, dat wel niet openhaar wordt vereerd, maar in 't geheim dikwijls de oorzaak is van wanorde en onevenwichtigheid in zijn leven. De handelaar aanbidt het geld, de juffer de mode, de jonge man de sport ; zovelen het zinnelijk gesnoep. Kleine liefde! Onevenwichtigheid in geest en hart! Ongemerkt glijdt die gehechtheid af naar de zonde.

Zonde is wanorde. Zonde is abnormaal.  Zonde doodt de liefde. De grootste domheid is de doodzonde, welk genot ze ook ogenblikkelijk moge schenken.

Zonde is overdreven zucht naar genot; lijden brengt evenwicht. Alleen de heiligen zijn normaal; en al brengen ook soms de boete en het vrijwillig lijden het lichaam tot zwakheid, de ziel wordt er des te sterker door, en zal in eeuwigheid de schade, het lichaam aangedaan, vergoeden.

De ziekte nu geeft gelegenheid om over dat alles rustig na te denken: het nadenken zal ons verstand openen; we kunnen meer overwegen ; de overweging zal ons langs nederigheid en vermorzeling des harten brengen tot een levendig geloof, een vaste hoop, een vurige liefde. De innigheid van het gebed in de stilte van de ziekenkamer zullen ons leiden in de intimiteit van de vriendschap van Jezus en Maria, wat volgens E. Poppe “het begin is van Gods Rijk op aarde”, het Rijk dat, naar Jezus zelf zegde, “binnen ons is”.

Gods Rijk is het rijk van de liefde. Hoe dichter we hij God komen, hoe hoger en reiner onze liefde zal zijn, ook tot de mensen. Alleen liefde maakt normaal. God is liefde.

Moge uwe ziekte er toe bijdragen Gods liefde te begrijpen, Gods liefde te beleven. Het zal uw leven meer normaal, meer gelukkig maken, en zo zal uw ziekte U zalig zijn !

OP DE HOOGTE.

Ik voel een heilge vreugd mijn ziele nu doorlaaien

Nu 'k met mijn Jesu ben den Kruisberg opgegaan:

Dees lucht is reiner, strenger; frisscher winden waaien:

Het doet mijn ziele deugd hier op dien hèrg te staan.

Ik wist niet, Jezus, dat uw Kruis zoo licht kon [wegen;

Neen, 'k wist niet dat de lans, die door mijn hart moest gaan,

Dat bloedend hart kon oopnen tot een vloed van zegen,

Die wond mij, als een roos zoo schoon, zou openstaan.

Hierboven zie ik 't leven in zijn waar' verschijning ;

Ik zie zijn hoogten, laagten, 't duister en het licht;

Zijn schaduwen, zijn glansen in een grootsche omlijning,

Het groote en 't  kleine, in een éénig vergezicht.

O Jesu, nu 'k zoo dicht hij 't kruis U mag genaken,

Nu zie 'k uw liefdeblik; hij komt me in ’t hart gegleên.

Niet Judas bleef bij U - alleen uw vrienden waken,

Uw Moeder-lief, Joannes en ook Magdaleen.

0, laten wij hier voor ons samen tenten bouwen

Ik wist de vreugde niet der smart, waar liefde blaakt;

Ik voel me thuis bij U, hij Onze Lieve Vrouwe:

'k Begrijp dat smart alléén de Liefde eeuwig maakt.