Paus Franciscus eert de 16 karmelietessen van Compiègne
Paus Franciscus heeft op 18 december 2024 zestien Franse karmelietessen gecanoniseerd. Dat gebeurde niet door een openbare heiligverklaring na een uitgebreid proces maar door simpelweg te besluiten om de verering voor deze martelaressen uit te breiden naar het niveau van de universele Kerk. De officiële Latijnse naam voor een dergelijk pauselijk besluit is canonizatio aequipollens (‘canonisatie met gelijke kracht’). Tot nu toe konden de karmelietessen slechts in bepaalde bisdommen vereerd worden.
Het betreft de zalige Thérèse de Saint-Augustin en vijftien van haar medezusters, beter bekend als de Martelaressen van Compiègne. Zij werden in de laatste dagen van het Terreurbewind tijdens de Franse Revolutie, door de guillotine omgebracht omdat ze weigerden hun kloostergeloften af te zweren.
Na bedreigingen en aanklachten in een klimaat van kerkvervolging waren de nonnen per kar van Compiègne naar Parijs vervoerd. Op 17 juli 1794 werden ze voorgeleid aan het Revolutionaire Tribunaal. Ze werden ter dood veroordeeld en dezelfde avond werden ze naar het schavot geleid. Ondertussen zongen ze de boetepsalm Miserere en het Salve Regina. Gekleed in hun witte koormantels stapten ze van de wagens af, knielden neer en zongen de hymne Te Deum, hernieuwden hun kloostergeloften en zongen het Veni Creator. Om 20.00 uur kwamen ze aan op Place du Trône – de huidige Place de la Nation. De jongste zuster, novice Constance de Jésus, was als eerste aan de beurt. Ze knielde voor moeder-overste Thérèse de Saint-Augustin neer om toestemming te vragen om de marteldood te sterven. Terwijl ze de treden naar het schavot beklom, zette zij het Laudate Dominum in. Na hun onthoofding werden hun lichamen en hoofden 's nachts in één van de twee massagraven op de Picpus-begraafplaats gegooid. Hun resten liggen daar nog steeds.
De karmelietessen waren beschuldigd van fanatisme en opruiing. Hun verhaal maakte veel los en raakte verankerd in het collectieve geheugen van Frankrijk. Vooral omdat, toen ze één voor één het schavot bestegen, ieder van de nonnen een beeldje van de Maagd Maria kuste dat werd vastgehouden door moeder Thérèse de Saint-Augustin. Voordat ze op hun beurt werden onthoofd, gaf de priores het beeldje aan de menigte. Het werd een relikwie dat bewaard en vereerd wordt in de crypte van de Karmel van Jonquières-Compiègne.
In de ogen van de Kerk is het duidelijk dat de zestien karmelietessen waren gedood uit haat jegens het christelijk geloof. Erkend als bloedgetuigen werden ze op 27 mei 1906 zaligverklaard door paus Pius X.
(Bron en illustratie: FSSPX News / KRO)